Hoe weet je wat goed en fout is als je niet in God gelooft?

Gelijkwaardigheid vraagt om het erkennen van verschil

Iris Muntel

Winnaar Juryprijs

“Hoe weet je wat goed en fout is als je niet in God gelooft, juffrouw?” Dit is een vraag die ik kreeg tijdens mijn stage. Dan zou je jezelf misschien afvragen waar ik stageloop? Een kerk, een moskee of misschien in een dorpje in de Biblebelt? Nee, een middelbare school in Enschede en ik stond met een bek vol tanden. Terwijl een jongetje van 13 jaar oud mijn gehele atheïstische identiteit in een vraagteken veranderde, dacht ik na over hoever wij eigenlijk van elkaar afliggen.

Mijn antwoord was “hoe ethisch is het als je een God nodig hebt om te bepalen wat goed of fout is en dat niet zelf kan aanvoelen?”. Als jongetje dat in een christelijk gezin is opgevoed, altijd naar christelijke scholen is geweest en amper in aanraking is gekomen met andere geloven of het ontbreken daarvan, was hij een beetje geschokt door dit antwoord. En terecht, vanuit zijn perspectief.

Ondanks dat wij elkaar niet begrijpen hebben wij wel wederzijds respect naar elkaar en naar hoe de ander denkt. Toch merk je verschil. Verschil in denken, verschil in doen, verschil praten, verschil in kleding, en ga zo maar door. Het is natuurlijk prachtig dat wij in een samenleving als Nederland met al deze verschillende religies en culturen kunnen samenwonen en hier eigenlijk geen verschil in wordt gezien. Maar toch is het blind zijn voor deze verschillen niet altijd goed voor gelijkheid (Felten, Cadat-Lampe & Does, 2022). Er wordt bij ons op stage te weinig rekening gehouden met het plaatsen van stagairs op de goede scholen om zo het vertrouwen op te bouwen. En zonder relatie geen prestatie!

Iedereen doet alsof “diversiteit” een soort gezelligheidswoord is waar je een regenboogposter bij ophangt en klaar. Maar in het sociaal werk betekent diversiteit vooral: je moet snappen waar iemand vandaan komt, anders loop je finaal langs elkaar heen (Pharos, z.j.). Het vraagstuk is dus niet: “Goh, wat een gek gesprek”, maar: Hoe werk je in hemelsnaam goed samen in een veld waar iedereen een andere bril draagt?

Dit soort situaties zijn niet uitzonderlijk. In het werkveld komen we dagelijks mensen tegen met totaal verschillende normen, waarden en wereldbeelden (Movisie, z.j.). In de opleiding leer je dat cultuur, religie, opvoeding en maatschappelijke posities bepalen hoe iemands referentiekader eruitziet. Maar pas wanneer je er middenin staat, een 13-jarige die je aankijkt alsof hij net een spook heeft gezien, voel je hoe complex het echt is.

Vaak botsen de verschillende referentiekaders niet, maar ze komen elkaar simpelweg tegen. En dat is de kern van sociale cohesie: Dat je verschillen niet wegpoetst, maar juist gebruikt als uitgangspunt om elkaar beter te begrijpen. Wanneer je verschillen ontkent maak je niemand echt gelijk, je maakt ze eerder onzichtbaar (Felten, Cadat-Lampe & Does, 2022).

Dit raakt aan sociale rechtvaardigheid. Jongeren ondersteunen in het ontwikkelen van een eigen moreel kompas, ongeacht waar ze vandaan komen. Door mijn blik op de wereld te delen en hem tegelijkertijd serieus te nemen, gaf ik hem een mogelijkheid voor het nadenken over moraliteit buiten de religie om.

Volgens de International Federation of Social Workers & International Association of Schools of Social Work (2014) is sociaal werk een op de praktijk gebaseerd beroep en een academische discipline die erkent dat onderling verweven historische, socio-economische, culturele, ruimtelijke, politieke en persoonlijke factoren zowel kansen als belemmeringen kunnen zijn voor het welzijn van de mens en zijn ontwikkeling. Klinkt allemaal heel deftig, maar het betekent eigenlijk gewoon dat je niet wegkijkt als het schuurt. Als iemand vanuit een religieus referentiekader praat en jij vanuit een atheïstisch, dan moet je dat verschil niet verstoppen maar bespreekbaar maken. Dát is sociaal werk.

Je ziet dat er simpelweg te weinig aandacht wordt besteed aan het matchen van stagiaires en stageplekken. Een ander mooi voorbeeld hiervan: Mijn collega draagt een hoofddoek en wordt vaak naar de witte, rijkere gezinnen gestuurd voor intakes. Zo’n intake is erg belangrijk want daar krijgen ouders een beeld van wat wij doen. Ik, een wit, blond meisje, word vaak naar gezinnen gestuurd in de achterstandswijken in Enschede, waar mensen met een migratieachtergrond vaak oververtegenwoordigd zijn (Kennisplatform Inclusief Samenleven, z.j.).

Om een goede band te scheppen met de ouders van de kinderen gaan wij vaak met elkaar mee. Wanneer mensen een persoon zien die er hetzelfde uitziet en overeenkomende referentiekaders hebben, is een vertrouwensband makkelijker op te bouwen. Dit noemt men ook wel het “similar to me” effect (Namely, 2018).

Mijn standpunt in dit vraagstuk zal je waarschijnlijk niet verbazen na het lezen van dit opiniestuk, maar ik vind dat er meer aandacht moet komen voor het erkennen van sociaal-culturele verschillen en dat hier ook op gematcht moet worden in het werkveld. Dan kom ik ook weer terug op het artikel van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (z.j.) waarin de schrijver begint met “De paradox: Om onderscheid op kleur op te heffen moet je het eerst maken” waarin de schrijvers uitleggen hoe belangrijk het is om niet kleurenblind te zijn. En om dat te koppelen aan de complexe situaties waar ik wel eens tegenaan loop, haal ik het artikel van Namely (2018) aan, waar de Similar To Me Bias wordt uitgelegd.

Pas wanneer we verschillen durven erkennen, kan het sociaal werk uitgroeien tot een beroep dat mensen echt ziet.

Iris Muntel is tweedejaars student social work en werkzaam als stagiair bij Stichting Onderwijsbegeleiding.


Literatuurlijst