Wie zwijgt, stemt toe

Jaylah Tetelepta

Winnaar aanmoedigingsprijs 2026

“Aalten zegt nee tegen het AZC”, “The people said no”. Dit waren de borden die ik tegenkwam op weg naar mijn stage bij Figulus. Wat begon als een lokale discussie over een mogelijk asielzoekerscentrum groeide uit tot een overspoeling aan wantrouwen en beschuldigingen richting het sociaal werk. Figulus, een welzijnsorganisatie dat vluchtelingen ondersteunt maar niets met het AZC-plan te maken heeft, werd op social media aangevallen en voelde de druk om zich publiekelijk verantwoorden. Demonstranten eisten zelfs inzage in geldstromen, uit angst dat ‘hun’ middelen naar ‘anderen’ zouden gaan. Hoewel Figulus hier transparant in is, raakt dit aan een dieper probleem: Het wantrouwen tegenover het sociaal werk dat zich inzet op gelijkwaardigheid. Op de werkvloer wordt het onderwerp inmiddels gemeden, uit angst voor verdere polarisatie of reputatieschade. Deze ervaring roept bij mij de vraag op: Hoe kunnen sociaal werkers hun waarden van gelijkwaardigheid en solidariteit uitdragen, zonder te werk te gaan als politieke actoren?

“Overcoming poverty is not a gesture of charity, it is an act of justice.”`
 – Nelson Mandela (2005)

Deze woorden laten zien dat het sociaal werk niet om liefdadigheid gaat, maar rechtvaardigheid. En dat is politiek. Dit wordt zichtbaar wanneer we kijken naar de oorsprong van het sociaal werk in Nederland, om te laten zien dat het altijd al een politiek geladen beroep is geweest. Het sociaal werk ontstond uit emancipatiebewegingen zoals de arbeidersbeweging (vanaf ca. 1870), de strijd voor vrouwenrechten (eerste feministische golf 1870–1920, vrouwenkiesrecht in 1919) en de kinderbescherming (Kinderwetten van 1901 en oprichting van de Voogdijraden in 1905) (Van Drenth & Van Essen, 2003). Een belangrijke bron om dit beter te begrijpen is De Sleutelaar, het verenigingsblad van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW). Het blad verscheen begin jaren zeventig en was bedoeld voor maatschappelijk werkers zelf. Het diende als platform voor nieuws, beleidsdiscussies en kritische reflectie op het beroep. De Sleutelaar liet zien hoe sociaal werkers hun rol zagen en hoe zij zich verhielden tot maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Zo werd in 1971 al benadrukt dat ‘er spanning bestaat tussen de Sociale Academies en de praktijk door tegenstellingen in het beroepsbeeld. De divergentie lijkt toekomstgericht te groeien’ (De Sleutelaar, 1971, p. 1.). Die spanning draaide om de vraag of het sociaal werk zich moest richten op individuele hulp of juist op structurele maatschappelijke verandering; een essentiële politieke keuze. Een jaar later organiseerden welzijnswerkers het demonstratief congres Welzijn ’73, waar zij betoogden dat ‘de bezuinigingsmaatregelen van het kabinet Biesheuvel leiden tot afbraak van het welzijnswerk, ervan overtuigd zijnd dat welzijnswerk een rechtmatig onderdeel is van het gehele pakket van kollektieve voorzieningen’ (De Sleutelaar, 1972, p. 2). Deze historische bronnen maken duidelijk dat sociaal werkers hun beroep nooit als neutraal zagen. In het huidige beleid zien we dezelfde spanning terug.

“De verzorgingsstaat is geen gunst, maar een recht.” – Willem Drees, geciteerd in Gaemers (2014)

Willem Drees verwoordt hier treffend dat beleid niet slechts technische regels zijn, maar beslissingen over rechtvaardigheid en solidariteit. En dat is politiek. Als de verzorgingsstaat een recht is, dan is beleid de manier waarop dit recht vorm krijgt: Via wetten, regels en kaders die bepalen wie toegang heeft tot ondersteuning en hoe solidariteit wordt georganiseerd. Voor sociaal werkers betekent dit dat hun handelen altijd binnen deze politieke kaders plaatsvindt. Zoals blijkt uit mijn praktijkervaring bij Figulus werken sociaal werkers met asielzoekers binnen de kaders van de Spreidingswet, die sinds 2024 gemeenten verplicht opvangplekken te verdelen (Rijksoverheid, 2024). Het beleid draait om verdeling en beheersing, maar in de praktijk zorgen sociaal werkers ervoor dat dit niet leidt tot isolement of spanningen. Door taallessen, vrijwilligerswerk en ontmoetingen te organiseren, dragen zij zo bij aan verbinding en participatie. Denk niet alleen aan de Spreidingswet, maar ook aan de Participatiewet, waar sociaal werkers cliënten ondersteunen die vastlopen in regels en sancties. Daarmee kiezen zij feitelijk partij voor wie anders niet gehoord wordt. Maar hoe kunnen sociaal werkers hun beroep correct uitvoeren in een samenleving die neutraliteit eist?

“You can’t be neutral on a moving train.” 
– Howard Zinn (1994)

Zinns woorden maken duidelijk dat sociaal werkers altijd meebewegen in maatschappelijke en politieke keuzes. Meebewegen is nooit neutraal: Het bevestigt óf bestrijdt bestaande machtsverhoudingen, en dus kies je altijd partij. Dat klinkt misschien theoretisch, maar ik merkte het zelf toen ik in discussie raakte met een studiegenoot, die ook sociaal werk studeert. Hij zei: “jij bent sowieso links,” alsof mijn beroepskeuze automatisch een politieke identiteit verraadt. Het bijzondere was dat hij ‘links’ gebruikte alsof het een verwijt was. Juist omdat de opmerking van een studiegenoot kwam, liet het me nadenken: iemand die dezelfde waarden zou moeten delen. Maar dit laat zien hoe sterk het maatschappelijke discours is dat het sociaal werk politiek gekleurd is. En eerlijk gezegd, dat is het ook. Dit discours komt niet uit de lucht vallen: Het sociaal werk richt zich immers op ongelijkheid en machtsverhoudingen. Dat is ook terug te zien in de beroepscode van het sociaal werk, waarin waarden als menselijke waardigheid, rechtvaardigheid en sociale rechtvaardigheid centraal staan (BPSW, 2018). Ook de Global Definition of Social Work benadrukt dat sociaal werkers zich inzetten voor sociale verandering, empowerment en bevorderingen van mensenrechten (International Federation of Social Workers (IFSW), 2014). Zulke waarden zijn nooit neutraal: wie zich beroept op gelijkwaardigheid, kiest tegen ongelijkheid; wie solidariteit centraal stelt, kiest tegen uitsluiting. En wie dat doet, kiest altijd partij.  Het is dus geen belediging, maar een erkenning dat sociaal werk de plek is waar politiek en menselijkheid elkaar raken. 

De opmerking van mijn studiegenoot laat zien dat er nog veel onwetendheid bestaat, niet alleen in de samenleving maar ook binnen het sociaal werk zelf. Ik leg dit uit aan de hand van de theorie van Karl Marx, die onderscheid maakt tussen een klasse an sich en een klasse für sich (Marx, 2007). Een klasse an sich is zich niet bewust van haar positie: ze ondergaat de omstandigheden en beweegt mee met bestaande machtsstructuren. Een klasse für zich daarentegen herkent haar positie en handelt er politiek naar. Veel studenten in opleiding en ook sociaal werkers zelf functioneren nog als een klasse an sich. Ze zien hun werk als neutraal, technisch of puur praktisch. Maar in werkelijkheid bevestigen ze daarmee bestaande verhoudingen. Pas wanneer sociaal werkers erkennen dat hun waarden politiek geladen zijn, worden ze een klasse für sich: een beroepsgroep die bewust kiest voor rechtvaardigheid en solidariteit. Dat bewustzijn is geen luxe, maar een noodzaak. Sociaal werkers moeten leren dat neutraliteit een illusie is. Wie zwijgt, stemt toe, en dat stemt zelden in het voordeel van de mensen die zij ondersteunen. Maar juist op dit punt klinkt de stem van Jan Willem Bruins.

“Sociaal activisme is geen kerntaak van het sociaal werk.”
– Jan Willem Bruins (2022)

Met deze woorden verwoordt Bruins de opvatting dat sociaal werkers zich moeten beperken tot signaleren en agenderen, maar neutraal blijven in hun handelen. Dit idee lijkt aantrekkelijk, omdat het sociaal werk presenteert als technisch en waardevrij. Dat klinkt mooi, maar hoe kan juist de directeur van de beroepsvereniging van het sociaal werk zo’n fundamenteel misverstand verspreiden. Wie stelt dat het sociaal werk losstaat van politieke keuzes, houdt zichzelf voor de gek. De heer Bruins ziet namelijk over het hoofd dat sociaal werk historisch altijd verbonden was met emancipatie en strijd tegen onrecht. Zijn visie geeft een misrepresentatie van het vak en gaat voorbij aan de kern van het beroep; Sociaal werkers kiezen altijd partij voor wie anders niet gehoord wordt. En dat is politiek. Wie neutraliteit eist, ontkent de geschiedenis én de praktijk van het sociaal werk.

Mijn kritiek op Bruins staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bredere discussie in het vakgebied. Dat blijkt ook uit het debat dat gaande is op socialevraagstukken.nl. Daar stelt Jeroen Boekhoven (2019) dat “sociaal werk altijd politiserend” is. Hij wijst erop dat er de afgelopen decennia juist een proces van depolitisering heeft plaatsgevonden, waardoor sociaal werkers hun politieke rol dreigen te vergeten. Boekhoven benadrukt dat sociaal werkers eerst de kleuren van machtsverhoudingen moeten herkennen, voordat zij zelf kleur kunnen bekennen. Zijn analyse onderstreept dat Bruins’ visie niet alleen een misrepresentatie is, maar ook gevaarlijk: Het miskent de noodzaak om sociaal werkers bewust te maken van hun politieke positie. Als sociaal werker in opleiding kan ik natuurlijk niet neutraal blijven. Het is mijn plicht om partij te kiezen in dit debat. Mocht er nog twijfel bestaan, ik kies de partij van Boekhoven. Wie anders?

Betekent dit dat ik u oproep om morgen met spandoeken de straat op te gaan? Nee, niet per se. Als u dat ziet als onderdeel van uw beroep, laat u zich dan vooral niet tegenhouden. Ik vraag u simpelweg om te erkennen dat sociaal werk nooit neutraal kan zijn; u kiest altijd partij. Want in de praktijk bent u de stem van degenen die anders niet gehoord worden. Hoe kunnen sociaal werkers hun waarden van solidariteit en gelijkwaardigheid uitdragen, zonder te werk te gaan als politieke actoren? Het antwoord is eenvoudig: dat is onmogelijk, want wij zijn in de kern van het beroep politieke actoren.

“If you are neutral in situations of injustice, you have chosen the side of the oppressor.”
– Desmond Tutu, geciteerd in Brown (1984)

Jaylah Tetelepta is tweedejaars student en werkzaam als stagiaire bij Figulus.

Literatuurlijst

  • Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW). (2018). Beroepscode voor de sociaal werker. Utrecht: BPSW.
  • Boekhoven, J. (2019, 23 februari). Sociaal werk is altijd politiserend. Sociale Vraagstukken. https://www.socialevraagstukken.nl/sociaal-werk-is-altijd-politiserend
  • Brown, R. M. (1984). Unexpected news: Reading the Bible with Third World eyes. Philadelphia: Westminster Press.
  • Bruins, J. W. (2022, 9 maart). Sociaal activisme is geen kerntaak van het sociaal werk. Sociale Vraagstukken. https://www.socialevraagstukken.nl/sociaal-activisme-is-geen-kerntaak-van-het-sociaal-werk
  • De Sleutelaar. (1971, december). Ie jaargang no. 4. Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. Archief BPSW.
  • De Sleutelaar. (1972, juni). IIe jaargang no. 2. Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. Archief BPSW.
  • Gaemers, J. (2014). Willem Drees: Daadkracht en idealisme. Amsterdam: Boom.
  • International Federation of Social Workers (IFSW). (2014). Global definition of social work. Retrieved December 12, 2025, from https://www.ifsw.org
  • Mandela, N. (2005). Nelson Mandela: In his own words. Boston: Little, Brown and Company.
  • Marx, K. (2007). Economic and philosophic manuscripts of 1844 (M. Milligan, Trans.). Mineola, NY: Dover Publications. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd 1844)
  • Rijksoverheid. (2024). Hoe de Spreidingswet werkt. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/spreidingswet
  • Van Drenth, A., & Van Essen, M. (2003). Geschiedenis van het maatschappelijk werk in Nederland. Amsterdam: Boom.
  • Zinn, H. (1994). You can’t be neutral on a moving train: A personal history of our times. Boston: Beacon Press.